Wie door de Nederlandse straten loopt, kan er nauwelijks omheen: de Australian Labradoodle is ongekend populair. Met hun golvende fleecevacht, sprekende ogen en teddybeer-achtige uiterlijk stelen ze in no-time de harten van menig hondenliefhebber.
Maar de populariteit van deze viervoeter is gebaseerd op veel meer dan alleen een schattig uiterlijk. Wat maakt de echte Australian Labradoodle nu zo uniek ten opzichte van andere honden, en waar komt dit bijzondere karakter vandaan?
Geen gewone kruising
Om te begrijpen wat de
Australian Labradoodle zo speciaal maakt, moeten we terug naar de oorsprong. Het is een veelgemaakte denkfout dat een Australian Labradoodle simpelweg een kruising is tussen een Labrador en een Poedel (dat is een 'gewone' Labradoodle).
De
pure Australian Labradoodle heeft een veel rijkere geschiedenis en een zorgvuldig opgebouwde bloedlijn.
In de jaren 80 begon het succesverhaal in Australië met een heel specifiek doel: het fokken van de ultieme geleidehond die tegelijkertijd allergievriendelijk moest zijn.
Om het karakter te perfectioneren en de gewenste vachteigenschappen te stabiliseren, zijn er door de jaren heen verschillende rassen heel selectief samengebracht, waaronder de Ierse Waterspaniël en de Amerikaanse en Engelse Cocker Spaniël.
Het resultaat van deze zorgvuldige opbouw is de hond zoals we die nu kennen: de pure
ALF (Australian Labradoodle Foundation).
Een